Als de macht zijn oor te luisteren legt… (7) Toen Europa nog tegenspartelde

21 maart a.s. zal de Nederlandse kiezer gevraagd worden zich in een raadgevend referendum uit te spreken over de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv), oftewel Sleepnetwet. Het Comité van Waakzaamheid bestrijdt dat deze wet, die onbeperkt afluisteren mogelijk maakt, nodig is voor de strijd tegen het terrorisme en andere bedreigingen. In een serie korte beschouwingen zal betoogd worden dat de werkelijke drijfveren heel andere zijn. Wie een weloverwogen NEE-stem in het referendum wil uitbrengen moet deze drijfveren kennen!

Met de Defence Planning Guidance van 1992 van de Amerikaanse onderminister van defensie Paul Wolfowitz moest voorkomen worden dat na de ineenstorting van de Sovjet-Unie ‘de vrede zou uitbreken’. Het document eiste onder meer dat de NAVO de enige veiligheidsstructuur in het Noord-Atlantisch gebied zou blijven en dat er geen onafhankelijke Europese initiatieven op dit gebied zouden worden genomen. De Wiv van minister Plasterk (op de foto bespreekt hij met PvdA-leider Samsom hoe de wet er door te jassen) komt dan ook uit Amerikaanse koker.

In december 1991 werd de NSA-afdeling die het Sovjetblok had afgeluisterd, Groep A, opgedoekt. Alle personeel en de gigantische elektronische inlichtingensystemen—afluisterposten, satellieten en schepen—werden in een nieuwe groep ondergebracht. Daarmee werd het vergaren van inlichtingen uit heel Europa, zowel oost-Europa als de traditionele Amerikaanse bondgenoten in west-Europa, opgevoerd. Groep B, die het communistische Azië had bespioneerd, werd op dezelfde manier omgebouwd voor heel Azië. Het ECHELON-netwerk, dat dateert van de jaren zeventig, werd nu ook voor commerciële spionage ingezet.

De jaren 90 waren een periode van Atlantische rivaliteit, waarin Washington bijvoorbeeld verhinderde dat het herenigde Duitsland een leidende rol in het opdelen van Joegoslavië zou opeisen. Richard Holbrooke, die in het State Department deze portefeuille onder zich had, schreef in een artikel uit 1995 dat ‘het westen zo snel mogelijk naar centraal-Europa moet uitbreiden (…) en de Verenigde Staten zijn klaar om daarbij de leiding te nemen.’

Eén aspect van het Amerikaanse leiderschap was het idee van ‘web-gecentreerde oorlogvoering’, iets wat later onder George W. Bush onderdeel zou worden van de ‘Revolutie in militaire aangelegenheden’. Maar zover was het in de jaren 90 nog niet: toen ontaardde het afluisteren in commerciële spionage. Van Amerikaanse zijde werd geklaagd dat vreemde mogendheden, zelfs NAVO-‘bondgenoten’, spioneerden om bedrijfsgeheimen te pakken te krijgen, en omgekeerd. Ook ECHELON werd immers op dit front ingezet. In 1994 gaven de NSA en de CIA afgeluisterde gesprekken die ze via hun Britse luisterposten hadden vergaard door, waardoor Airbus belangrijke contracten verspeelde.

Uiteraard leidde dit en vergelijkbare gevallen tot onrust in het buitenland, vooral in Europa. Dit kon toch niet de bedoeling zijn geweest van de Five Eyes-structuur in de Koude Oorlog? In 1998 werd in een rapport voor het Europese Parlement een volledig overzicht gegeven van de afluisterpraktijken van de NSA. Het rapport stelde vast dat in Europa ‘alle email-, telefoon- en faxverkeer routinematig wordt afgeluisterd door de Amerikaanse National Security Agency. Daarbij wordt alle zo ingewonnen informatie van het Europese vasteland (…) via het belangrijke schakelstation in Menwith Hill op de heidevelden van Yorkshire in Engeland per satelliet doorgegeven naar Fort Meade in Maryland’ [hoofdkwartier van de NSA].

Het was duidelijk dat de VS en Europa op een botsing aanstuurden in deze kwestie. Maar toen kwamen de aanslagen van 9/11. Niet alleen werd daarmee de weg vrijgemaakt voor een opgepoetste ‘Oorlog tegen de Terreur’ en de daarbij horende afluisterpraktijken. Europa kwam nu ook in een ondergeschikte positie in de NAVO terecht en nieuwe eisen inzake het afluisteren van de Europese bevolking lieten niet lang op zich wachten. In dat licht moet ook de Wiv worden bezien.

De artikelen in deze reeks zijn een bewerking van een langer document getiteld Surveillance Capitalism and Crisis’ waarin ook verwijzingen naar het bronnenmateriaal zijn opgenomen.