Proces in Parijs mikt op criminalisering sociale beweging

Kees van der Pijl

Op 19 september opent in Parijs het proces tegen de verdachten van het in brand steken van een politieauto, waarbij twee agenten gewond raakten. Dit proces krijgt grote aandacht en de verdachten hebben steun gekregen van vertegenwoordigers van een breed scala van progressieve groepen, die zeker niet tot de anarchistische antifa moeten worden gerekend. De reden daarvoor is dat het niet alleen maar gaat om geweld tegen de politie, maar om een politiek proces. Daarbij is het doel om het verzet tegen de ‘sociale staatsgreep’ van Macron en zijn regering te criminaliseren.

Hoe afkeurenswaardig geweld ook is, en hoe zinloos om de politie op het niveau van de agent op straat als doelwit te zien, de reactie van de staat is een verdere stap naar een autoritaire politiek die aan alle vormen van oppositie een eind wil maken. Het wordt vooral gevaarlijk wanneer blijkt dat extreem rechts hierbij als hulptroep fungeert, zoals bij ons de PVV voor de Sleepnetwet heeft gestemd.

Negen personen staan in Parijs terecht voor het in brand steken van de politieauto, waarbij twee agenten licht gewond raakten. Het gebeurde op 18 mei 2016, tijdens een verboden demonstratie tegen de nieuwe arbeidswet, toen nog onder de regering -Valls en president Hollande. De beelden werden over alle media verspreid. Premier Valls, toen nog socialist maar inmiddels toegetreden tot Macrons beweging (Macron was ook minister onder hem en de afbraakpolitiek werd toen al ingezet) maakte van de commotie gebruik om op te roepen tot ‘genadeloze sancties tegen degenen die een agent te grazen willen nemen.’

Een gang van zaken die om te beginnen duidelijk maakt hoe geweld averechts kan uitpakken, zeker toen de Franse justitie een vooronderzoek opende met als inzet ‘poging tot moord’.

Op aanwijzing van een anonieme inlichtingenofficier van de politie werden negen antifa-activisten verhoord, maar het vooronderzoek bleek de ‘poging tot moord’ niet te wettigen. Niettemin werden de meeste van de verhoorde antifa-activisten in preventieve hechtenis genomen.

Antonin Bernanos, hun woordvoerder in de zaak, zat tien maanden vast en heeft voortdurend ontkend iets met het geweld te maken te hebben gehad, in tegenstelling tot drie anderen van de negen, die bekenden erbij betrokken te zijn geweest.

De activisten voerden aan dat de demonstratie in 2016 een antwoord was op een manifestatie van de politie op diezelfde dag. Op die manifestatie, ‘tegen de anti-agenten-haat’ (contre la haine antiflics) waren ook personages van extreem rechts, onder wie Marion Maréchal-Le Pen, de nicht van Marine, verschenen, die daar enthousiast begroet werden.

Dat diverse linkse organisaties en personen zich hebben gesolidariseerd met de verdachten, heeft ook te maken met de hardheid van het politieoptreden in achterstandswijken. In juli 2016 kwam een jonge man van 24, Adama Traoré, tijdens een ondervraging door de politie om het leven.

De groep die de verdachten nu steunt, is zeer divers, en loopt van een parlementslid van La France insoumise, de beweging van Mélenchon, de trotskistische postbode Besancenot, vertegenwoordigers van Nuit Debout (vergelijkbaar met ‘Occupy’), alternatieve vakbonden, tot aan ‘postkoloniale’ groepen die het zwarte verzet in de voorsteden op raciale gronden organiseren. Die laatste zijn natuurlijk een zeer problematische bondgenoot maar Bernanos heeft er terecht op gewezen dat solidariteit niet betekent dat iedereen het op alle punten eens is, integendeel.

Waar het om gaat is niet toe te staan dat de beweging tegen de ‘sociale staatsgreep’ wordt gecriminaliseerd.

Want dat wordt steeds duidelijker: de ‘Oorlog tegen de terreur’ die na 9/11 werd afgekondigd, leidt tot meer en meer repressie. Juist nu het verzet tegen de drastische verslechteringen van de positie van werknemers die in Frankrijk op de agenda staan, op gang komt, blijkt dat de staat steeds meer zijn toevlucht neemt tot autoritaire politiek.

Detentie zonder proces, afluisteren en doorsluizen van gegevens, militarisering van de politie en verharding van het geweld tegen demonstranten, het vormt bij elkaar een fundamentele bedreiging van de democratie. Ook in Nederland.