Rechts populisme en autoritaire staat: in de Weimar-republiek en nu.

Kees van der Pijl

Het grote gevaar van de huidige politieke ontwikkeling is het bij elkaar komen van een massa ontevredenen die hun heil zoeken bij rechts-populistische politieke partijen en bewegingen; en de uitbouw van een autoritaire staat. In Nederland zien we enerzijds Wilders en anderen die de ontevredenheid mobiliseren door thema’s als vreemdelingenhaat uit de taboesfeer te halen. Politieke en sociale omgangsvormen verruwen, het beschimpen van mensen op grond van huidskleur of geloof wint terrein.

Anderzijds zijn de partijen van het ‘midden’ bezig de repressieve staatsmacht uit te bouwen en roeren ze de oorlogstrom. De ontwerp-sleepnetwet van Plasterk (PvdA) herinnert eraan dat mocht Wilders ooit aan de regering komen, de instrumenten om een autoritaire staat in te voeren voor hem klaar liggen. Aangenomen door het ‘nep-parlement’ in een klimaat van angst voor ‘terrorisme’ en ‘Poetin’, waardoor allerlei verslechteringen kunnen worden doorgevoerd.Franz Neumann, Behemoth: The Structure and Practice of National ...

Welke historische parallellen zijn er met de jaren dertig?

Direct na de machtsovername van Hitler analyseerde de sociaal-democratische jurist Franz Neumann hoe de opkomst van de nazi’s mogelijk was gemaakt. Daarna zocht hij een goed heenkomen in de VS, waar hij later zijn beroemd geworden boek over de nazi-staat, Behemoth, zou publiceren. 

Duitsland was in 1918 heel dicht bij een socialistische revolutie geweest. Om die te voorkomen had SPD-leider Friedrich Ebert een directe telefoonverbinding met de generale staf. Na de eerdere stem vóór de oorlog verwierf de sociaal-democratische leiding daarmee het vertrouwen van de Duitse heersende klasse. Hiermee was, aldus Neumann, al in de revolutie de basis voor een restauratie gelegd. Ebert werd de eerste president van de nieuwe Weimar-republiek.

Artikel 48 van de grondwet van Weimar gaf de president de bevoegdheid de noodtoestand af te kondigen. Toen de crisis van begin jaren dertig uitbrak werd de katholiek Heinrich Brüning kanselier. Met een beroep op artikel 48 wilde hij een bezuinigingspolitiek doorvoeren en daarvoor kreeg hij de steun van de SPD. De werkloosheid steeg van 4,4 miljoen in 1930 tot 6 miljoen begin ’33. ‘Met toestemming van de sociaaldemocraten verlaagde hij de sociale uitgaven, drukte hij de lonen omlaag, en bedreef een nationalistische politiek—en toen kwam Hitler aan zet’, zo stelt Neumann.

De communisten van de KPD concurreerden met de nazi’s om de ontevredenheid daarover een stem te geven; soms werkten ze zelfs samen tegen de SPD.

Communisten van betekenis zijn er niet meer, maar verder is de overeenkomst met de huidige situatie treffend. Ook nu is het de PvdA die meegaat in een afbraak- en oorlogspolitiek, waardoor de aanhang van extreem rechts alleen maar groter wordt.

Dat de nazi’s in de Weimar-republiek hun opmars naar de macht konden voortzetten werd niet alleen indirect bevorderd door de gevoerde politiek. Ook de propaganda van Hitler en de straatterreur tegen communisten en joden werd toegelaten. ‘De nazi-revolutie’, concludeert Neumann, ‘werd in hoge mate mogelijk gemaakt door de opkomst van een anti-staat die door de democratische staat werd getolereerd hoewel hij [de anti-staat] in het leven geroepen was om de democratie te vernietigen’. Dit toelaten van mensenhaat tegen links en tegen joden leidde tot een algemene verruwing van de omgangsvormen en een steeds giftiger politiek klimaat. Neumann noemt dit het proces van ‘fascisering’ (Faschisierung) en laat zien dat de burgerlijke partijen daarin meegingen, net zoals bij ons VVD en CDA steeds meer de geest van het program van Wilders overnemen. Op de achtergrond stond een Duitse heersende klasse die Hitler dan maar ‘de kans wilde geven’ toen men er parlementair niet meer uitkwam. Zoals Wilders hier onder het kabinet-Rutte I ‘gedoogpartner’ was om aan een rechts meerderheid te komen.

De Duitse democratie heeft zelfmoord gepleegd en is tegelijkertijd vermoord. Deze democratie zonder democraten eindigde met de benoeming van Hitler tot kanselier op 30 januari 1933’, aldus Neumann nog in datzelfde jaar. ‘De nationaal-socialistische revolutie was een contrarevolutie van de gemonopoliseerde industrie en de grootgrondbezitters tegen de democratie en de maatschappelijke vooruitgang’, maar kon uiteindelijk plaatsvinden doordat het wettelijk kader ervoor was klaargestoomd in de crisisjaren.

Dat is de les van 1933 die niet vergeten mag worden.

Franz Neumann, Der Niedergang der deutschen Demokratie’ in Wirtschaft, Staat, Demokratie. Aufsätze 1930-1954. [red. A. Söllner]. Frankfurt: Suhrkamp, 1978 [1933].