Zijn liberalisme en fascisme verwant?

Kees van der Pijl

Het boek van Ishay Landa uit 2010 over de relatie tussen liberalisme en fascisme is getiteld ‘De tovenaar van de leerling’. Met een woordspeling op het sprookje van de tovenaarsleerling die de trucjes van zijn meester probeert na te doen en daarbij de macht over het stuur verliest, wil Landa aangeven dat het fascisme een uit de hand gelopen uitwas van het liberalisme is. Een provocerende stelling, maar het boek maakt die heel aannemelijk.

I... Geert Wilders, maar voor Mark Rutte is men streng en onverbiddelijkn de Nederlandse verhoudingen, waar we te maken hebben met het rechtse populisme van de ‘PVV’, is het niet moeilijk te zien dat dit een uitwas van de VVD is. Autoritaire tendensen in de gevestigde politiek en de demagogie van de vreemdelingenhaat vullen elkaar hier aan. Maar is het daarom één pot nat?

Landa beargumenteert de verwantschap tussen liberalisme en fascisme aan de hand van het verschil tussen politiek liberalisme (persoonlijke vrijheidsrechten, ‘mensenrechten’, democratie) en economisch liberalisme (eigendomsrecht, vrije beschikking over bezit, alsmede vrijhandel). Dit is een essentieel onderscheid, alleen al om het verschillend gebruik van het woord ‘liberalisme’ in Noord-Amerika en in Europa te verklaren: in Amerika is een ‘liberal’ iemand die voor politieke vrijheid is, dus in de verhoudingen daar ‘links’; in Europa duidt de term allereerst op het economisch liberalisme.

Vanaf de grondlegger van het liberalisme, John Locke (1632-1704), is voorzien in het opschorten van het politieke liberalisme als het eigendomsrecht en andere aspecten van het economische liberalisme in gevaar komen. Dit is echter niet een kwestie van zakelijke afweging, het is een crisisverschijnsel. Een crisis die in de maatschappij gepaard gaat met een groeiende afkeer van de politieke democratie, een gevoel dat de maatschappij ten onder gaat aan concessies, ‘pappen en nathouden’. Dat gevoel keert zich uiteindelijk ook tegen de bezittende klasse voor wie het economisch liberalisme van levensbelang is. Locke was nog een optimistische liberaal, omdat in de Engelse burgeroorlog de meer radicale elementen waren verslagen. Maar eind negentiende eeuw was het optimisme vervlogen.

Leeuwen tegen vossen

Vilfredo Pareto, een Italiaanse liberale denker die door Mussolini tot senator werd benoemd, was zo’n pessimist. Hij ging ervan uit dat elke maatschappij door een elite wordt geregeerd, maar binnen die elite schuift de macht voortdurend heen en weer tussen de ‘vossen’, die regeren met slimme deals en geheime afspraken, en de ‘leeuwen’. Die zijn weliswaar niet zo handig maar kunnen wel met harde hand orde op zaken stellen. Toen de fascisten in 1922 met de Mars naar Rome de macht kregen, schijnt de toen zieke Pareto uit zijn bed omhoog te zijn gekomen en te hebben geroepen, ‘heb ik ’t je niet gezegd?’ Want Mussolini zou met zijn dictatuur de belangen van de bezittende klasse veiligstellen tegen de oprukkende democratie, waar de ‘vossen’ geen antwoord meer op hadden.

Ook Hitler wilde een nieuwe elite aan de macht brengen, maar dan wel een open elite. Iedereen van het tot heersen voorbestemde ‘Arische’ ras moest macht kunnen uitoefenen. Daartoe moest de laffe bourgeoisie eens goed door elkaar geschud worden. ‘Het communisme is de vijand nummer één,’ verklaarde de Führer in een interview in 1931. ‘Wij alleen zijn in staat om de stervende bourgeoisie te redden uit de handen van deze vijand’.

Eigenlijk wilde Hitler het programma van het 19de-eeuwse kapitalisme uitvoeren en een groot rijk veroveren waarin de Duitsers zouden heersen net zoals de Spanjaarden dat gedaan hadden in Zuid-Amerika, en de Britten in Noord-Amerika en India. Daarbij mochten allerlei politieke regels zoals het volkenrecht niet in de weg staan.

De overeenkomsten die Landa ziet tussen de denkers achter het Italiaanse fascisme, de nazi’s, en conservatieve liberalen zoals Leo Strauss, Friedrich von Hayek en anderen, zijn zeer instructief. Wat ze allemaal gemeen hebben is de prioriteit die wordt toegekend aan het eigendomsrecht en andere componenten van het economisch liberalisme, en hun bereidheid om daarvoor het politieke liberalisme en de mensenrechten op te schorten.

Strauss, die zelf nota bene voor de nazi’s naar Amerika moest vluchten, kwam na de oorlog tot de conclusie dat het het aan de macht komen van het fascisme veroorzaakt was door de democratische doctrine van gelijkheid, die hij ten stelligste veroordeelde. Strauss werd in de VS de peetvader van de neoconservatieven zoals Francis Fukuyama met zijn theorie over het Einde van de Geschiedenis (na de ineenstorting van het Sovjetblok) en Paul Wolfowitz, de architect van de invasie van Irak. Of de columnist Robert Kagan en zijn vrouw Victoria Nuland, die we kennen als onderminister van buitenlandse zaken, actief in het opstoken van conflicten aan de Russische grens.

Hayek op zijn beurt vond Pinochet een veel betere oplossing voor Chili dan Allende, die precies deed waarvoor liberalen vanaf de 19de eeuw hadden gewaarschuwd: als je de politieke democratie de vrije loop laat, komt op een gegeven moment ook de economische democratie op de agenda.

Ishay Landa, The apprentice’s sorcerer: liberal tradition and fascism. Leiden: Brill, 2010.