‘Wij’ als belichaming van de humaniteit en ‘zij’ als bron van onmenselijkheid

Dick Boer

Je kunt je natuurlijk blindstaren op de PVV van Geert Wilders. Of het Front National van Marine le Pen. Wat die zeggen is verschrikkelijk: openlijke verachting van andersgelovigen, niet omdat zij van een ander geloof zijn maar als vreemd en dus gevaarlijk kunnen worden geïdentificeerd. Je moet er ook niet aan denken dat zo’n partij aan de macht zou komen. Maar mocht Wilders niet al eens gedoogpartner van een regering zijn? En vooral: wat is het verschil tussen een VVD-fractievoorzitter die uitgeprocedeerde asielzoekers vergelijkt met de crimineel Holleeder (die trouwens nog lang niet uitgeprocedeerd is) en Wilders die zijn aanhang ‘minder, minder’ laat roepen als antwoord op zijn vraag of zij meer of minder Marokkanen willen?

Toch kun je je afvragen of dit voldoende reden is om van fascisme te spreken en nog wel van een herlevend fascisme. Bij fascisme denk je toch aan bruine horden die marcheren op de maat van antisemitisch gezang en niet aan keurig geklede dames en heren die zich beroepen op hun vrijheid van meningsuiting en juist de Islam verwerpen als een in wezen ondemocratische en gewelddadige ideologie? Maar het waren keurig geklede dames en heren die besloten een democratisch gekozen regering geen enkele kans te geven de humanitaire crisis in hun land enigszins humaan op te lossen. En het zijn keurig geklede dames en heren die niets beters weten te verzinnen dan ons voor te houden dat er voor een politiek die de mensen laat opdraaien voor een crisis waar zij zelf part noch deel aan hebben, geen alternatief bestaat. Zij vertegenwoordigen een maatschappij die gebaseerd is op ongelijkheid en belijden de gelijkheid van alle mensen als een algemeen mensenrecht.

Dat is de kracht van de heersende ideologie: met succes te suggereren dat wij leven in een beschaafde wereld van vrijheid en gelijkheid en dat het de anderen zijn die die beschaving bedreigen – omdat zij bij voorbeeld niet aan de Verlichting zijn toegekomen. En daar stuiten wij op wat in de gestalte van de Verlichting een wezenskenmerk van het fascisme is: de fundamentele ongelijkheid van een ‘wij’ als belichaming van de humaniteit en een ‘zij’ als een bron van onmenselijkheid, van ‘mens’ en ‘onmens’. Een ongelijkheid op het niveau van de ideologie die de ongelijkheid weerspiegelt die onze maatschappelijke orde kenmerkt. En die ideologie verraadt zich doordat die maatschappelijke orde niet bij machte is de gelijkheid van alle mensen te verwerkelijken. Daarom moet zij de mensen die massaal de armoede ontvluchten discrimineren als ‘gelukzoekers’ (alsof de ‘pursuit of happiness’, het najagen van het geluk, in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring niet tot algemeen mensenrecht verklaard was!).

Daarom moest zij de armoezaaiers, die met ‘rommelhypotheken’ werd verleid om zich ook eens een eigen huis te kunnen veroorloven, verwijten aan hun ongeluk zelf schuld te zijn, een ‘blaming the victim’ dat de slachtoffers nog eens slachtoffert. Daarom moet een redactioneel commentaar in de NRC, geconfronteerd met de waarneming dat het blijkbaar niet lukt alle mensen een menswaardig bestaan te garanderen, concluderen: ‘een onderklasse zal er altijd zijn’. In deze ideologie die de onvrijheid praktiseert in de naam van de vrijheid, met haar newspeak die militaire operaties verkoopt als ‘vredesmissies’, de afbraak van de verzorgingsstaat als ’hervorming’, het aan hun eigen lot overlaten van weinig weerbare mensen als ‘participatiemaatschappij’, herleeft een fascisme waar ik bang voor ben.

Al het andere, waartegen gewaarschuwd wordt, Wilders en consorten, is symptoom. Ook symptomen moeten worden bestreden. Maar de kwaal zelf is het niet.