Het fenomeen van de contrarevolutie

Kees van der Pijl

Op de zoektocht naar de verbindende elementen tussen ‘Hitler en Mussolini’ en de autoritaire trend in het huidige kapitalisme inclusief het neofascisme en rechtspopulisme in Europa, stuitte ik op het boek van de Amerikaanse historicus Arno Mayer, Dynamics of Counterrevolution in Europe, 1870-1956 uit 1971. Je mag wel zeggen ‘boekje’, want vergeleken met de enorme boekdelen die Mayer schreef over de vredesonderhandelingen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, is het maar een schriftje.

In die grote handboeken schetst Mayer de wereldpolitiek van het interbellum als een uitwas van de botsing tussen de Amerikaanse president Wilson en Lenin, met als inzet het al of niet overslaan naar centraal Europa van de revolutie die in Rusland was begonnen. Later zou Mayer ook nog een geruchtmakend geschrift over de genocide op de Europese joden schrijven; daarover is hij zwaar aangevallen omdat hij, hoewel zelf als jongen maar ternauwernood aan de gaskamer ontsnapt, een criticus is van het gebruik dat Israël maakt van wat hij noemt de ‘judeocide’.

In Dynamics of Counterrevolution probeert Mayer het fenomeen van het fascisme in een breder kader te plaatsen. Fascime en nazisme, schrijft hij, moeten gezien worden als onderdeel van een permanente reactie op de dreiging van sociale verandering, die veel verder teruggaat dan 1922/1933 en die in 1945 ook niet verslagen was. Maar terwijl het communisme wel tot uitgebreide studie van revolutie aanleiding heeft gegeven, heeft het fascisme niet in dezelfde mate onderzoek van contrarevolutie in gang gezet. Je zou bijna zeggen, dat onderstreept alleen maar dat ook het academische bedrijf onderdeel is van de permanente contrarevolutie.

We moeten ons die natuurlijk niet voorstellen als ononderbroken repressie. Mayer laat juist zien dat milde en moordzuchtige vormen, nationale en internationale varianten, vloeiend in elkaar overgaan. Daarbij zijn de Verenigde Staten vanaf 1917-1920 de spil geweest, en na 1945 het voornaamste arsenaal voor wat hij noemt ‘de internationale burgeroorlog van de twintigste eeuw’. Maar het proces gaat veel verder terug, nl. naar het midden van negentiende eeuw, toen de bourgeoisie, dus de stedelijke middenklasse, bij haar streven naar democratisering niet langer op de werkende klassen wilde steunen. Na het jaar 1848, waarin de arbeiders voor het eerst onder hun eigen leuzen optraden (denk aan het Communistisch Manifest), begon het proces van aanschurken tegen de oudere bezittende klassen, dus grondbezit, adel, en de kerk.

Een bange burgerij

De grote massa van de bourgeoisie, aldus Mayer, was bereid de politieke macht die het met zoveel moeite had veroverd, weer in te leveren en accepteerde militaire repressie (in Parijs, Wenen, en elders). In Frankrijk was het Napoleon III die deze angst voor radicalisme uitbuitte en het politieke regime van de burgerij verving door methoden en voor doeleinden ‘die de fascistische projecten van een later tijdperk al aankondigden’.

Daarbij rijst de vraag, hoe de gematigde burgerij zover kan komen dat ze de agressieve contrarevolutionaire krachten met hun vulgaire, gewelddadige methoden de ruimte wil geven—Hitler en Mussolini kregen de macht tenslotte uit handen van de gevestigde politici en economische machthebbers. De verklaring hiervoor zoekt Mayer in de angst voor verandering die hen ertoe brengt, de harde hand (in ieder geval tijdelijk) de vrije hand te willen geven. ‘Het is de angst van reële, of waarschijnlijker nog, ingebeelde revolutionaire uitbarstingen die de meeste conservatieven en reactionairen ertoe brengt samenwerking met de leiders van de contrarevolutie in overweging te nemen’.

Na 1945, toen de VS het arsenaal van de mondiale contrarevolutie werd, nam deze ook een andere gedaante aan. De ideologie van een bevrijdende kruistocht tegen het totalitaire bolsjewisme werd gevoed door een lang gekoesterd zelfbeeld als een natie die pretendeerde zelf uit een revolutie te zijn voortgekomen, aldus Mayer. Daaraan werden nieuwe revolutionaire ontwikkelingen gekoppeld, vooral in de sfeer van meer consumptie (‘revolution of rising expectations’), die alles beter zouden maken.

Binnen het Sovjetblok (het boek sluit af met 1956, het jaar van de onderdrukking van de Hongaarse opstand en de Suez-interventie van Engeland, Frankrijk en Israël) werd een soort afgeleide contrarevolutie doorgevoerd. Maar Mayer concentreert zich op de rol van het Westen.

Oorlog

Oorlog is van het begin af een kenmerk van de contrarevolutie geweest. Vanaf 1870, toen Napoleon III ten strijde trok tegen Pruisen en door Bismarck verslagen werd, raakte Europa in de ban van een verdwaasd nationalisme (en antisemitisme) dat alleen maar tot nieuwe oorlogen kon leiden. Daarbij werd steeds duidelijker dat linkse, democratische doorbraken alleen nog mogelijk waren in de afsluitende fase van een oorlog, vooral bij nederlaag.

Mayers conclusies zijn nog altijd van toepassing, ook in het tolereren van uiterst rechts in onze eigen tijd. Het complex van angst, stagnatie en onveiligheid, schrijft hij, moedigt krachten in de heersende klasse die normaal gesproken vol zelfvertrouwen zijn, aan om de contrarevolutionaire beweging met sympathie tegemoet te treden en er zelfs mee samen te werken.
Dynamics of Counterrevolution is heel nadrukkelijk een ‘essay’, het betoog blijft heel algemeen, soms ‘tè’. Maar als stimulans om na te denken over de samenhang tussen fascisme toen en nu bllijft het een belangrijke bijdrage.

Mayer, Arno J. 1971. Dynamics of Counterrevolution in Europe, 1870-1956. New York: Harper & Row.