Ondemocratisch TTIP-plan moet van tafel

Kees van der Pijl en Ewout van der Hoog

Momenteel onderhandelen de VS en de EU in het diepste geheim over een verdrag voor een Transatlantische Handels- en Investeringszone (Engels: TTIP). Beide partners willen hiermee de mogelijke controle van nationale staten over transnationale ondernemingen verder terugdraaien. Ook willen ze de economische verwevenheid van de EU met de VS vergroten ten koste van de handel met Rusland en andere BRICS-landen. Dit geplande verdrag zal tot een verdere afbraak van de democratie leiden en moet daarom van tafel.

 Vanaf eind jaren zestig leidde een wereldwijde democratiseringsgolf tot een kritischer houding tegenover het transnationale kapitaal. De VS hadden geprobeerd de wetgeving inzake export naar het Sovjetblok ook laten gelden voor dochterondernemingen van Amerikaanse bedrijven in Frankrijk en waren betrokken geweest bij het ten val brengen van de progressieve regering van Allende in Chili. Dit alles had een beweging opgeroepen om buitenlandse investeerders te onderwerpen aan gedragscodes ingesteld door de Verenigde Naties.

 

De derdewereldlanden legden toen in hun plannen de nadruk op het bevorderen van economische ontwikkeling en industrialisering, de internationale vakbeweging legde het accent op arbeidsverhoudingen en democratisering van ondernemingen en de Europese sociaal-democratie, die die naam toen zeker nog verdiende, probeerde beide aspecten te verenigen. Dit laatste gold bijvoorbeeld voor het project voor een Rechtvaardige Internationale Orde, waarbij in Nederland figuren als Tinbergen en Pronk waren betrokken.

Begin jaren tachtig zette echter een tegenbeweging in die niet langer de soevereiniteit van de staten, maar die van het kapitaal als uitgangspunt nam. Volgens het rapport ‘De crisis van de democratie’ voor de Trilaterale Commissie van 1975, van Samuel Huntington en anderen, konden bevolkingen zo veel eisen stellen aan hun regeringen dat de staten overbelast waren geraakt. Het terrein waarover de politiek kon beslissen moest daarom drastisch worden ingeperkt, zo stelden de auteurs.

De oplossing kwam met een neoliberaal programma van marktwerking en privatisering in Groot-Brittannië (Thatcher), de VS (Reagan) en de rest van West-Europa, dat de economie aan de staat en aan democratische controle moest onttrekken. Niet langer kon de politiek eisen stellen aan zaken als lonen, welvaart, handel en investeringen. Dat bleef voortaan voorbehouden aan de ‘markt’ die dankzij de privatisering krachtiger was geworden dan de staat en de publieke sector.

Pogingen om de transnationale ondernemingen ondergeschikt te maken aan het belang van de nationale economieën en de bevolking mislukten. De coalitie van vakbeweging en derdewereldlanden was in het defensief gedrongen, waarbij ook onderlinge fricties over de verhouding tot het Sovjetblok meespeelden.

Dit had echter een tijdelijke ontwikkeling kunnen zijn. Daarom kwamen de VS in 1977 met een bilateraal verdragsontwerp inzake investeringen (Engels: BIT) om het onteigenen of anderszins aan regels onderwerpen van buitenlandse vestigingen te bemoeilijken. Het economische beleid zou onmogelijk nog kunnen voorbijgaan aan de belangen van het kapitaal. Arbitrage zou bij geschillen de doorslag moeten geven, en daarbij zou een bedrijf zich bij voorbaat al kunnen beroepen op verliezen, geleden door nationale regulering: de ‘regulatory takings’-doctrine.

In 1982 sloot de regering-Reagan het eerste BIT met Egypte, gevolgd door BITs met tientallen andere landen, inclusief de verplichtingen tot arbitrage bij geschillen, tot het vrijelijk in- en uitvoeren van kapitaal en tot het erkennen van de Amerikaanse wetgeving en rechtsprincipes inzake de verhouding tussen politiek en markt.

Elk BIT is als het ware een ‘miniatuur-TTIP’ tussen de VS en één ander land, waarbij elke buitenlandse onderneming die zich benadeeld voelt door beperkende regelgeving deze kan aanvechten en arbitrage eisen — of het nu gaat om bescherming van milieu, gezondheid, vakbondsrechten of consumentenbescherming. Maar terwijl het verdrag nog tussen staten gesloten en dus publiekrechtelijk is, is deze verplichte arbitrage al geprivatiseerd en overgedragen aan een gemeenschap van voornamelijk Amerikaanse advocatenkantoren.

Daarbij moeten ‘de staten’ overigens niet langer worden gezien als tegenstanders van de transnationale ondernemingen. Met uitgebreide trainingsprogramma’s krijgen degenen die in een bepaald land belast zijn met regelgeving en handhaving (bij)scholing in de principes van vrijhandel en vrij kapitaalverkeer. Deze maken samen met de afbouw van de sociale bescherming en vakbondsrechten de kern van het neoliberale programma uit.

In de wereld van na 1991 is de machtspositie van de arbeid drastisch verzwakt door de verdubbeling van het aanbod van loonarbeid tot rond 3,1 miljard mensen, als gevolg van de ‘opening’ van China, India en Vietnam en de ineenstorting van het Sovjetblok. Nu is dan ook het moment gekomen om al deze BITs te gaan samenvoegen tot een integraal systeem, waarin alle sociale, ecologische en economische regelgeving in de wereld door het kapitaal moet worden goedgekeurd. Dat is de betekenis van de TTIP: een terugdraaien van de pogingen tot democratisering uit de jaren zestig en zeventig.

Dat brengt ons bij het tweede doel van TTIP, namelijk de EU nauwer aan de VS te binden en zo een halt toe te roepen aan Europa’s toenadering tot de BRICS-landen, met name China en India. Daarbij dienen Rusland, Brazilië en Zuid-Afrika vooral als grondstoffenleveranciers, wat hun economieën niet ten goede komt.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw hebben Britse en Amerikaanse strategen zich zorgen gemaakt over het Euraziatische ‘heartland’, een door Harold Mackinder gemunte term. Wie dit ‘heartland’ beheerste, zou ook de wereldheerschappij bemachtigen. Hun zorgen werden in 1922 concreet toen de Weimarrepubliek en de uit de Russische Revolutie voortgekomen Sovjet-staat het Verdrag van Rapallo sloten.

Sindsdien kunnen we spreken van een ‘Rapallo-syndroom’. Want elke keer dat zo’n toenadering zich aandient, volgt een Brits-Amerikaanse reactie — te beginnen met het Dawes-plan van 1924, dat Duitsland door een kapitaalinjectie weer terugbracht in het anti-Sovjetkamp.

In onze tijd heeft de in Polen geboren Amerikaanse strateeg Zbigniew Brzezinski de theorieën van Mackinder nieuw leven ingeblazen. Als aristocratische Pool is hij daarbij vooral gebeten op Rusland. En telkens als zich een ontwikkeling aftekent waarbij Europa aanschuift bij Azië, volgt er nog steeds een initiatief om de Anglo-Amerikaanse invloed weer te bevestigen.

Het politieke beleid om de spanning op te voeren in (Oost-)Europa én het invoeren van een TTIP lijken erop gericht om de toenadering tot Rusland en andere BRICS-landen te voorkomen, en om de EU nadrukkelijk binnen de Amerikaanse invloedssfeer te houden.

Noot: dit stuk maakt gebruik van passages in een langere beschouwing in het septembernummer van Vredesmagazine http://vredesmagazine.nl/.