Strijd voor gelijkheid of strijd tegen discriminatie

 Kees van der Pijl

In Le Monde Diplomatique van februari is een katern gewijd aan beschouwingen over aspecten van de aanslagen in Parijs. In een daarvan schrijft Benoît Bréville over het spanningsveld tussen klassetegenstellingen en cultuurverschillen. Dit thema is voor ons in Nederland ook van belang.

Toen de eerste moderne immigranten naar Frankrijk kwamen maakte het alles uit of ze vergezeld werden door een eigen elite of niet. De Russen die in 1905 en vooral na de revolutie in 1917 arriveerden, vonden werk in de auto-industrie of werden taxi-chauffeur (nog altijd een typische immigrantenbaan). Maar er kwam ook een elite mee die vaak al Franstalig was, bestaande uit kunstschilders, schrijvers en intellectuelen die goed hun weg vonden in het Parijse culturele milieu en zelfs een ‘Russische mode’ op gang brachten in de jaren 20. De hele Russische immigrantenpopulatie profiteerde daarvan. De Armeniërs uit het Ottomaanse Rijk daarentegen, die na het bloedbad van 1915 naar Frankrijk vluchtten, waren met minder, maar ze kwamen ook zonder elite, spraken geen woord Frans, en werden daarom beoordeeld als ‘niet te integreren’.

Kortom, men vreesde deze vreemdelingen omdat ze tot de laagste sociale laag behoorden en de ‘cultuur’ misten om te integreren. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen nieuwe immigratiestromen op gang, maar nu raakte de bezorgdheid over cultuurverschillen op de achtergrond, ook al omdat de economie een groot opnamevermogen had.

Met het uitbreken van de crisis in 1975 en vooral onder het presidentschap van Mitterrand vanaf 1980, kwam het thema van de ‘cultuur’ echter terug. Tot in de jaren 70 signaleerde zelfs de rechtse Figaro problemen van ‘gastarbeiders’, soms met een verrassende menslievendheid getoonzet, bijvoorbeeld bij bedrijfsongevallen of branden in goedkope logementen.

Culturele benadering van immigranten

Dat veranderde nu in een meer ‘cultureel’ getinte benadering gericht op het ‘probleem van de Arabieren van de tweede generatie’, respectievelijk ‘moslims’. Wat tot voor kort als arbeidsproblemen en sociale kwesties gezien werd, kreeg zo een etnisch-religieuze lading. Daarmee hangt samen het aanduiden van het eigen ‘volk’ als een organisme dat tegen vreemde invloeden, ‘parasieten’ beschermd moet worden.

Mitterrands beleid zwaaide heel vroeg om naar een neoliberale privatiseringspolitiek, maar hij verleende nog wel zo’n honderdduizend illegale immigranten burgerrecht. Rechts nam dit niet en toen in 1981 jongeren in een buitenwijk van Lyon slaags raakten met de politie, kwamen er in de media berichten over de ‘explosieve’ situatie in achterstandswijken omdat daar zoveel Noordafrikanen woonden. Dezelfde Figaro leidde nu een campagne met een nationaal en veiligheidskarakter, en begrippen als ‘invasie’ en ‘de deuren wijd open zetten’ werden eindeloos herhaalde trefwoorden.

Toen in 1982 (het jaar waarin Mitterrand het roer omgooide) een stakingsbeweging op gang kwam in de Franse autoindustrie, waar veel Noordafrikanen werken, werd ook de klassenstrijd op het culturele spoor geleid. Om de staking in diskrediet te brengen, beschuldigde de socialistische regering-Mauroy de stakers ervan, het oor te lenen aan Ayatollah Khomeini, die in 1979 in de Iraanse revolutie aan de macht was gekomen. Khomeiny zou proberen de stakers te mobiliseren op thema’s die ‘weinig van doen hebben met de Franse sociale realiteit’ aldus Mauroy.

Door zulke uitspraken werd de rechtse nadruk op ‘cultuur’ overgenomen. Maar niet zonder een kleine aanpassing, namelijk links, de Socialistische Partij (PS),  probeerde er een positieve draai aan te geven met de term ‘beur’ (tussen ‘blanc’ en Engels ‘black’ in). Het dicht bij de PS staande weekblad  Libération kwam vanaf eind 1982  zelfs met met een rubriek ‘Beur’ waarin cultureel nieuws voor deze ‘gemeenschap’ werd verzorgd, met lovende reportages over ‘beurs’ die sociaal succes hadden.

De PS stimuleerde voorts de oprichting van SOS Racisme en hielp daarmee om de strijd voor gelijkheid om te zetten in een strijd tegen discriminatie. Ondertussen zakte door het verdwijnen van de industrie, het levenspeil van de massa van de ‘beurs’ (net zo goed trouwens als de ‘blacks’, de zwarte Afrikanen met wie ze in de banlieues leven) snel naar op of onder het bestaansminimum.

Buitenlanders aangesproken als ‘gemeenschap’

In minder dan drie jaar na 1980, aldus Bréville, was iedere sociale inhoud uit het debat rond immigratie verdwenen. Buitenlanders en hun in Frankrijk geboren kinderen werden nu zonder uitzondering als ‘gemeenschap’ aangesproken, op hun godsdienst, en daarmee werd de afstand met de ‘autochtone’ Fransen vergroot, ja eigenlijk onoverbrugbaar.

De Golfoorlog, 9/11, het Israelisch-Palestijns conflict, richtte vervolgens de lens op de ‘beurs’ en de Afrikanen om te zien of zij de Franse en/of Westerse kant kozen, ondanks dat ze er eigenlijk niet bij hoorden. Toen enkele voetballers van Algerijnse origine hun mond dicht hielden bij het zingen van de Marseillaise was er alom verontwaardiging.

Onder de kinderen van immigranten kwam na 1991 eveneens een etnisch bewustzijn op.  Daarmee keerden ze zich tegen ‘de Fransen’, die aan de oorlog tegen hun ‘broeders’ in het Midden Oosten meededen. De oorlog werd gezien als voortzetting van het kolonialisme, en het geweld waarvan zij het mikpunt zijn in de banlieues is hetzelfde geweld dat de Palestijnen of de Irakezen ondergaan.

Het klassekarakter van de verhouding tussen de verschillende cultuur-‘gemeenschappen’ is daarmee niet verdwenen. Uit onderzoeken blijkt dat ‘beurs’ en zwarte Afrikanen weliswaar een veel grotere kans hebben om door de politie staande gehouden te worden voor controles, maar dat het erg veel uitmaakt hoe ze gekleed zijn. Spijkerbroek en leren jack, controle; in pak, (een veel grotere kans op) doorlopen. Daarom kan emancipatie nog altijd het best via de strijd voor gelijkheid (recht op onderwijs, werk en een goed loon) worden gevoerd, omdat alleen strijd tegen discriminatie vooral rolversterkend uitpakt.

Bréville, Benoît. 2015. ‘Islamophobie ou prolophobie?’ Le Monde Diplomatique (februari) pp. 13, 17.